Tegengif

Geborgen. Ik verzet me, span mijn spieren. Het gewicht van de dikke laag aarde rust op mijn benen en voeten, m’n buik, borst, hals. Aangestampte grond drukt tegen mijn kaken. Na verloop van tijd ben ik gewichtloos. Vrij. Alleen m’n gezicht bovengronds, een masker dat is achtergebleven na het spel. Zand of iets anders kriebelt op m’n wang. Ogen open, ogen dicht. Ik kan m’n hoofd niet draaien. Onbedoeld is mijn gevlochten haar een anker geworden, de wig waarmee ik klem lig in dit – in deze kuil. Warm. Stevig. Tegen een eindeloos lichtblauw wuiven toppen van cipressen in een wind die ik niet voel. Drie buigingen, negen buigingen. In de hemel is geen horizon.

Wanneer zou het belletje gaan? Zou ik het horen? Heb ik het al gemist? Zal ik roepen, naar de vrouw die verderop zit? Onbeweeglijk waakt ze daar – of is ze weg, ben ik alleen? Na verloop van nog meer tijd snap ik dat dit eindeloos kan duren. We hebben geen tijd afgesproken. Er is geen tijd, niet meer. En geen reden. Geen afloop. Alleen de opdracht om straks op te staan en de hoop dat ze wel zullen weten wat ze doen, hier, deze weirdo’s, die zeker geloven dat ontwikkeling alle fratsen heiligt. Heksen, ik denk aan heksen, hoor mij eens denken in mijn zelf gedolven graf. In dit wetteloze oord. The circle of life. Kom maar op met die bel. Ja, ik kan de aarde nog steeds voelen. Ik ben er nog. De aarde ademt zelfs met me mee. In en uit. In en uit. Diep, achter mijn ogen, loop ik vol met tegengif. Genoeg voor jaren. De cipressen zijn zwart. De hemel leeg. Mijn hart klopt. Remember the circle of life.

Dan wekt het zilveren geklingel ons. We breken uit de graven omhoog, omhoog, we suizen omhoog. Ik sta op de aarde. Ik voel mijn lichaam in de klamme nacht. En daar is de maan.

 

Geef een reactie