Parijs

R kwam binnen om drie voor half negen. Ongeschoren, z’n jasje gekreukeld van kraag tot zoom. Ik vroeg: “Heb je je verslapen?” Hij zei: “Ik kom uit Parijs.” Z’n adem rook zoet, misschien naar whisky, of tabak en zwaar bier. Ik vroeg me af wat de goden in petto hadden voor vandaag. In het zaaltje ontstond ondertussen een ongeduldig geroezemoes. Ik opende de bijeenkomst, R nam een kop koffie en schoof naast mij aan tafel. Onze groep werd rustiger, alert, twaalf streetwise mannen en vrouwen in een grachtenpand voor een communicatielesje, we lachten wat, ik hoorde een doffe klap. Naast mij lag R met z’n hoofd op tafel, hij sliep.

Van die dag herinner ik me verder niets. Wel dát we gewerkt hebben, maar niet hoe ik R heb wakker gemaakt, of hij zijn gezicht ging wassen. Ik wou dat ik hem daarna nog eens had gesproken. Was hij in zijn eentje naar Parijs? Wat had hij gedronken?

Geef een reactie