Overkant

Er zijn negen lege tafeltjes voor twee, en acht voor vier. Op elk tafeltje een kaars, een echte, met een vlam die echt flakkert. Zeventien keer ernaast een tak namaakbloesem, een zout- en een pepervaatje. Linnen tafellopers. De couverts blinken. Hier zit ik. Waar ik ook ben.

Er zijn plaatsen die me te binnen schieten op onvoorspelbare momenten. Het Museumplein; ik sta op de hoek, waar nu Duet zit, of hoe heet het, Solo, en mijn zus staat voor het Concertgebouw, schuin aan de overkant. We ontdekken elkaar in de stadse onrust, ze overstemde het verkeer. Niets voor haar om mijn naam zo hard te roepen, en wel zo handig, want ik keek. We zwaaien. Ik steek over. Ik zeg: “Dat je zo hard durfde te roepen!” Nee, ze had niet geroepen. Ze had gekeken omdat ze mij had horen roepen. Asociaal hard. Haar naam.

Als ik later gek ben en ik herinner me het Museumplein nog, en mijn zus aan die overkant, dan roep ik haar naam. Door een eetzaal, of over een afdeling. Maar zover is het nog niet.

Geef een reactie