Judas

Zie je wel, ik heb al een boek dat Judas heet. Cadeau gekregen met de beste aanbevelingen. Een Judas waarin Oz op openhartige en moedige wijze het thema verraad verweeft. Nog ongelezen. Ik heb trouwens ook al een boek over Holleeder. Toen dat boek in de maak was, ging ik een paar keer mee naar de bunker om een zitting bij te wonen en woorden te vinden voor de charme van het monster. Voor de ingang van de bunker stond steevast een rij belangstellenden. Het vroor. Er werd gegroet, gelachen, gebeld, vaak op horloges gekeken. Mannen zonder overjas stampvoetten tegen de kou. Wie te laat aansloot, miste een hele procesdag en wie weet welk nieuws. Poortjes, bliepjes, tassencontrole, fouillerende dienders. Tot slot de dubbele schuifdeuren. Bij mijn eerste bezoek overviel me de noodgebouwbeige leegte. Het was wel verwarmd. Toch; een ruimte waarin het niet gaat gebeuren herken je meteen. Het licht zoemt, je blik dwaalt, er is niets dat diepgang afdwingt. Er waren drie lokaaltjes ingericht: een soort etalage, een tribune en een kantine. In de kantine stond één koffieautomaat.

Holleeder was niet onder de indruk, want waarvan? Gedoemd ja, maar onverschillig en tot aan de huig verveeld door de snotjongens van het gerecht, met hun dunne halsjes, een partij die het moet hebben van principes. Hij rekte zich eens uit. Tussen het lokaal waarin het proces werd opgevoerd en de tribune, zat een glazen wand. Ik herinner me niet of het geluid werd versterkt, hoe hoorden we wat er gezegd werd? Het was in ieder geval zin na zin geneuzel van mannen die uit elkaars buurt willen blijven. Naast mij en voor mij zaten de mensen uren met hun blanco notitieblok op schoot. De feiten waren al bij hun redacties bekend. Verder viel er niets te verslaan. Het publiek zocht een kans om ai en ohh roepen, ad bestias, maar er viel niets te roepen. ‘s Morgens glimlachte Holleeder, ‘s middags gaapte hij. En de andere dag weer eens andersom.

In de pauzes haalden we allemaal koffie uit die éne automaat. Ik had gedacht dat de advocaten voorrang zouden nemen, maar dat deden ze niet. De voorrang was voor de journalisten. Misschien omdat zij die dagen met de leegste handen stonden.

Geef een reactie