Geschreven

Vandaag was ik in Nijmegen voor een vergadering. Het gaat dus goed met mij. Op het bureau van de gastheer lag een vaktijdschrift. Ik sloeg het open en las wat op de vrijvallende bladzijde. Scharrelend naar toeval. Er stond een titel die me aansprak: “Over Pioniers en Meesterschap”. Daaronder stond mijn naam, geen andere naam. Ik had het artikel geschreven. Ik vroeg de gastheer: “Heb ik dat geschreven?” Hij dacht van wel. Ik kon het me niet herinneren.

Er schoot mij op dat moment iets heel anders te binnen, een voorval misschien uit het jaar dat ik dat vergeten artikel schreef. Ik stond voor de oude leraar, hij zat op een barkruk op het podium. In Amsterdam had hij Nederlands gesproken, maar hier in Lier (“nabij Antwerpen”) sprak hij een soort Vlaams. Op zondagavond waren de lessen begonnen, op woensdagochtend verstond ik het dialect. Ik verstond bijvoorbeeld dat hij een medium kende in Zeeland en dat hij iedereen aanraadde haar te consulteren. Dat begreep ik. Nu vroeg ik hem of hij mij haar telefoonnummer kon geven. Mailadressen bestonden nog niet. Hij zat een tijdje roerloos op zijn kruk en zei toen: “Ja.” Ik was blij. De volgende dag stapte ik ’s middags opnieuw het podium op en vroeg hem of hij misschien dat telefoonnummer al voor mij had. Hij zei: “Ja, zeker.” Hij bleef op de kruk zitten. Oud, en alweer een dag ouder, begreep hij mij wel? Dat ik dat medium wilde bellen? Of speelde hier een Nederlands-Vlaamse kloof? Ik legde uit dat ik dan de volgende dag echt graag dat nummer zou willen krijgen. Vrijdagmiddag was de laatste les. Ik stond weer voor de leraar. “Jij wil dat nummer,” zei hij. Ik knikte. Hij maakte nergens aanstalten toe. Wat kon ik zeggen? Was het een test? Hij glimlachte en noemde het nummer uit zijn hoofd. Ik moest op zoek naar pen en papier. Beschaamd, wijzer.

Geef een reactie