Gedicht

Het is – De vrouw is zo enorm, ik moet wel even zijn teruggedeinsd. Ze staat wijdbeens midden in het feestzaaltje en binnen één seconde ben ik aan haar voorgesteld. Omdat ik niemand ken, daarom? Ik krijg een prosecco van iemand die snel doorloopt. De vrouw praat. Lukraak. Ze had al een verhaal. Grote brokken woorden. Corduroy zie ik, vaal en heel veel, het is haar broek. Ik probeer niet zo dichtbij haar opgestroopte mouwen te zijn, haar polsen zo vlezig als kuiten. Ze heeft in elke hand een glas. Bier, dat ruik je. Kom op, kijk haar gewoon aan, zeg ik tegen mezelf. Ik kan me haar ogen niet herinneren. Boven haar borsten snijdt een leren riem door stof en huid. Het is de huid van haar nek en de riem van haar tas, zes borsten tegen elkaar gesnoerd. Ze lacht. Ik ben bang dat ze me uitlacht, mij en mijn ongemak.

Ze giet een biertje naar binnen. Het is geen pauze, zelfs geen adempauze, ze praat gewoon door. Haar mond wijd open. In het schoeprad van haar keel zie ik het bier klotsen, en jezus – ze praat nog steeds. De woorden borrelen langs haar tong. Ze houdt haar hoofd achterover en morst niet echt. Ze vertelt aan het plafond, aan de huizen van steen, ze vertelt aan de stad. Zo klinkt dat dus. Getverdemme, wat onhandig dat juist die zin me te binnen schiet – dat een mens een mens zo liefhad… Daarbij stel je je toch graag iets moois voor. In ieder geval niet iemand die drinkt en spreekt tegelijk. Thuis zoek ik het op, maar het gedicht gaat over liefde, niet over schoonheid.

Geef een reactie