Buurman

Liet ik mijn ogen eenmaal opengaan en keek ik de nacht in, dan was ik verloren. Het snurken vulde de kamer, zoog mijn voorhoofd leeg, het plafond deinde mee met het stikken en gnuiven, al snel dacht ik niks meer, ik staarde. Wachtte op stilte. ’s Morgens tekende ik een sip, slaapziek gezichtje op een A4 en schreef er paar zinnen bij. Beste buurman… Dat ik ook wel wist dat je aan snurken niks kan doen, maar dat ik weer de hele nacht wakker had gelegen. Ik schoof de briefjes in zijn brievenbus, aan de buitengevel. Gesnurk! Nachtenlang gesnurk!

Misschien kon ik hem zo ver krijgen dat hij een ademhalingscursus ging volgen. Wie weet kon hij geopereerd worden, of iets. Ik wachtte tot ik hem in het trappenhuis hoorde en opende snel m’n deur. Aha, een junkie dus en ziek. Hij sprak sloom. Misselijkmakend. Ik vroeg hem binnen. We zaten aan mijn smalle bureautje en waren het eens: aan snurken is niks te doen. “Maar hoe slaap je dan?”, vroeg ik. Hij sliep op z’n rug. Hij had geen bed. Hij had ook geen matras. In zijn slaapkamer lag geen vloerbedekking. Hij had wel een slaapzak en daarin sliep hij, op de kale houten vloer. We spraken af dat hij met zijn buddy een matras zou regelen. Vier dagen later droegen twee mannen een matras de trap op. Een ouwetje, met zwabberend, beige tijk. Ik hoorde de buurman nooit meer snurken. Af en toe groetten we elkaar op de gang.

Laatst zag ik hem uit het Oosterpark komen. Hoe kan iemand eeuwenlang zo dun zijn en toch nog leven? Ik fietste voorbij, hij stak over. We hadden een flits oogcontact. Maar was het hem echt? Zou ik kunnen herkennen dat hij het was en geen andere junk? Was het wel een junk of gewoon een magere zwerver? Ik stopte langs de stoep en keek om. De man die ik bedoel, stond stil – midden op het zebrapad. Hij keek me na.

Geef een reactie